Waarom reageert de een beter op training dan de ander?
Waarom reageert de een beter op training dan de ander?

Waarom reageert de een beter op training dan de ander?


Je vriend traint twee keer en loopt direct een PR. Jij moet daar weken je best voor doen en nog wil het niet lukken. Hoe dat komt? Het kan zijn dat de aanwezigheid van een speciaal eiwit jouw trainingsadaptatie remt. Het gaat om het eiwit met de naam selenoproteïne P.

Sporten en een gezonde levensstijl

Mensen die geconfronteerd worden met diabetes (type 2) of een hoge bloeddruk krijgen vaak het advies om meer te gaan sporten. Een actieve levensstijl zou het risico en de behandeling van deze aandoeningen sterk kunnen verbeteren. Echter, onderzoekers merkten op dat sommige personen weinig of geen resultaat zagen van hun inspanning. Deze mensen bleken een hoge concentratie van het selenoproteïne P te hebben. De oorzaak van dit verschil was nog onduidelijk.

Van muis naar mens

Eerst werd onderzoek gedaan bij muizen. Een groep speciale type muizen zonder selenoproteïne P en een groep wilde muizen werden gedurende een maand onderworpen aan een trainingsprogramma van 30 minuten per dag. Na de maand bleken de muizen zonder het eiwit een 50% hogere trainingscapaciteit te hebben dan de wilde muizen. Het gebrek aan het eiwit zorgden er dus voor dat ze veel baat hadden bij de training. Vervolgens keken de onderzoekers of hetzelfde geldt bij mensen. Eenendertig vrouwen, met of zonder diabetes type 2, volgden gedurende 8 weken een trainingsprogramma. Alle vrouwen gingen vooruit in hun conditie. Echter, degenen met de hoogste concentraties van het selenoproteïne P, zagen na de 8 weken maar een kleine vooruitgang.

De kip of het ei?

Mensen die lijden aan diabetes type 2 of een vervette lever blijken over het algemeen hogere concentraties van het eiwit te hebben. Hierdoor hebben ze minder baat bij training. Ook ouders vertonen gemiddeld hogere concentraties. De vraag is of de aandoening zorgt voor een verhoogde concentratie van het selenoproteïne P, of dat mensen van zichzelf een hogere concentratie van het eiwit produceren en hierdoor ook eerder vatbaar zijn voor de diabetes type 2 en verwante aandoeningen. Vervolgonderzoek moet dit nog uitwijzen.