In zijn woonkamer haalt Jean-Paul Praet, nu 70, een versleten paar hardloopschoenen van Asics uit een doos. Het is het enige paar dat hij bewaarde uit zijn carrière als ultraloper. De zolen zijn anderhalve centimeter dik, de schoenneuzen doorboord. “Airco”, grijnst hij. “Voor alle duidelijkheid: die luchtgaten zaten er destijds nog niet in.”
Prehistorische stoomboten, noemt hij ze. “Dit waren mijn trainingsschoenen. Met mijn wedstrijdschoenen spanden mijn kuiten te hard op.” Op deze schoenen liep Praet in de nacht van 20 op 21 juni 1986 een wereldrecord op de Nacht van Vlaanderen, een route van 100 km met start en finish in Torhout: 6 uur, 3 minuten en 51 seconden.
Bloedvorm
De wedstrijd gold destijds als topontmoeting voor ultralopers. De deelnemerslijst las als een who’s who van het lange werk. Belgisch kampioen Praet, dan 30, behoort niet tot de favorieten, maar is wel in bloedvorm. Praet werkt net samen met een nieuwe trainer, Patrick De Schepper, en die legt er flink de zweep op. Praet haspelt duurtrainingen van vijf uur af.
“Ik noemde hem de sadist”, zegt hij. “Nooit eerder trainde ik zo hard.” Het werpt vruchten af: een paar weken voor de Nacht kan De Schepper zijn pupil amper volgen met de fiets. “Eerder had ik 6u35 gelopen op de 100 km, een Belgisch record, maar ik wist dat ik veel sneller kon.”

Om 9 uur ’s avonds vertrekt het pak. De wind blaast fel – drie à vier beaufort, pal op de neus tijdens de eerste 40 km richting kust. De tengere Praet verstopt zich achter de brede ruggen van de topfavorieten. In tegenstelling tot de internationale toppers, die een startpremie krijgen, heeft hij zich op de dag van de wedstrijd ter plaatse ingeschreven.
“500 frank inschrijvingsgeld, 12,5 euro”, herinnert hij zich. Daarom loopt Praet met rugnummer 376 en staat hij niet op de lijst van de omroeper. Die heeft het 30 km lang over ‘een onbekende Belg’ in de kopgroep.”
Sporthorloges
Sporthorloges bestaan nog niet, Praet loopt op gevoel. “Dat doe ik nog altijd, ook al heb ik nu wel zo’n horloge. Onderweg weet ik niet hoe snel ik precies loop, maar ik kan wel inschatten hoe snel ik mag gaan om geen klop van de hamer te krijgen.” Praet beleeft een topdag.
Een demarrage komt er nooit, toch vallen de toppers een voor een weg. In koersjargon: de deur stond achteraan open. “Dat was altijd mijn kracht. Ik liep niet echt snel – op de marathon klopte de snelste vrouw mij – maar ik kon het lang volhouden.”

Op de zeedijk komt Praet alleen op kop. In gestrekte draf gaat het opnieuw landinwaarts. In elk West-Vlaams polderdorp wacht een volksfeest, de Nacht stuwt hem vooruit. “Mensen riepen dat ik op weg was naar een wereldrecord, dat hielp.”
Al blijft hij nerveus over zijn voorsprong. Gsm’s bestonden nog niet, dus liet hij zijn trainer geregeld wachten met een chronometer. Nadien moest die ‘m inhalen met de fiets. “Dat duurde een tijdje. Na 100 km was hij meer kapot dan ik. Mijn zoete wraak voor dat helse trainingsschema.”
25 minuten voorsprong
Aan de finish, iets na 3 uur ’s nachts, heeft Praet meer dan 25 minuten voorsprong op de tweede. “En te bedenken dat ik mijn enige sanitaire stop ooit hield.” 100 km lang liep hij aan 16,5 km/u (3:38 per kilometer), een onmogelijk geacht tempo. En dat op schoenen van 300 gram per stuk, zonder demping of carbon.
“Na aankomst dronk ik meerdere trappisten. Dat deed ik altijd, anders kon ik na een wedstrijd niet slapen. Sommige concurrenten imiteerden mij: ze dachten dat die trappist mijn geheim was.”
Verder lezen? Lees verder via Blendle of bestel hier het laatste magazine.